Veertig dagen tot Pasen

Van Aswoensdag tot Pasen is het 47 dagen. Toch heet de voorbereidingstijd voor Pasen veertigdagentijd – zeven dagen minder dus. De reden? De zondagen tellen niet mee.

Die veertigdagentijd heet in de oude kerkelijke traditie, die nu vooral in de rooms-katholieke kerk wordt bewaard, ook wel vastentijd. Vasten verbinden wij vooral met onthouding: iets niet doen. Maar het woord heeft oorspronkelijk meer te maken met het omgekeerde: ergens aan vasthouden. Dat is waar het om draait: dat je je even niet laat afleiden door allerlei kortetermijnverlangens en -doelen, maar vasthoudt aan waar het ook al weer om gaat in ons leven.

Soberheid – niet snoepen, geen alcohol – helpt soms om je minder te laten afleiden en je meer te richten op wat wezenlijk is in je leven. Andere mensen besluiten om veertig dagen geen sociale media te gebruiken. Die leiden vaak ook af.

Maar die onthouding en die inkeer zijn dus geen doel op zich. Doel is en blijft: waar gaat het nu wezenlijk om in ons leven. En dat stellen die zondagen aan de orde. Dan vast je niet, in welke vorm dan ook. Die zondagen blijven de eerste dagen van de week, waarop we, ook in de veertigdagentijd, vieren, dat Jezus uit de dood is opgestaan.

Lijdenstijd noemen we de weken voor Pasen ook wel, vooral in protestantse kring. En het klopt: meer dan in andere perioden van het jaar gaat het in deze weken over Jezus’ lijden en sterven, ook in de bijbellezingen op de zondagen. Opstanding betekent kennelijk niet dat we lijden en dood nu maar even moeten vergeten. Integendeel: Jezus’ opstanding  is onlosmakelijk verbonden met zijn lijden en sterven. En omgekeerd: als het over Jezus’ lijden gaat, gaat het altijd ook over zijn opstanding.

Die onlosmakelijke band tussen lijden en opstanding is zowat de basis van mijn geloof. Omdat ik van opstanding weet, geloof ik dat we ons nooit en nergens bij lijden moeten neerleggen, maar altijd op zoek mogen gaan naar bevrijding, verlossing uit het lijden. En omdat ik dat lijden serieus moet nemen, wordt die opstanding des te harder nodig, voor mij en voor anderen.

Zo wordt lijden niet langer iets dat we maar een beetje moeten verzwijgen om niet iedereen somber te maken, maar een bron van verlangen, dat het anders wordt. En is opstanding altijd weer dat wonder dat zich aandient, ook als wij het even niet meer zien zitten.