Ongemakkelijk

Ik voel iets ongemakkelijks. Al een tijdje speelt het op. Elke keer als ik iets hoor over een boot vluchtelingen op de Middellandse Zee. Een boot, met mensen die het nét wel of nét niet redden. Maar deze afgelopen week kroop het ongemakkelijke gevoel meer dan ooit onder mijn huid. Net thuis van vakantie in Macedonië zie ik de beelden, afkomstig uit mijn vakantieoord, waarin de politie de vluchtelingen met traangas verdrijft. Toen ik er was, ontmoette ik er alleen maar vriendelijkheid en die typische verlegenheid van mensen die de alleen hun eigen taal spreken, waarvan wij toeristen natuurlijk niks verstonden. En nu zie ik de paniek in de ogen van de Macedoniërs. Paniek en angst, niet zo gek als je zelf maar net overeind weet te blijven in een arm en corrupt land. Maar mijn ongemakkelijke gevoel wordt ondertussen alleen maar sterker.

Deze week: een vrachtwagen vol mensen die gestikt zijn. De rillingen lopen over mijn rug. Ik zucht. Ik weet het niet. Ik wil Angela Merkel bellen en zeggen dat ik het met haar eens ben. Of zoiets.

Dan gaat mijn telefoon. Aan de lijn is niet Angela Markel, maar Mohammed. Hij kwam ineens onze kerk binnen, al weer een tijd geleden. Ik heb niet zoveel contact met hem. Maar namen van mensen die ik doop vergeet ik niet zo snel. Deze week probeerde ik met hem af te spreken. Hij woont in Rotterdam, daar kom ik tegenwoordig ook wel eens. Ik dacht natuurlijk ook aan hem, door de beelden van die bange mensen op de spoorlijn richting Europa. Hij heeft er ooit ook gestaan, als vluchteling, dwalend richting Europa. Want in Afghanistan maakte hij andere keuzes dan de keuzes die wenselijk zijn in de ogen van Taliban. Maar nu gaat het goed met hem. Zijn Nederlands was een stuk beter, hij heeft rijles en een baan. Te weinig tijd om af te spreken, druk druk druk. Het gaat wel goed met die integratie als je het mij vraagt. “Doe groeten aan iedereen en hoe gaat het met mevrouw Liesbeth?”

Iets van het ongemakkelijke gevoel was weg na dit telefoontje. Maar één blik op nu.nl of de krant, en het is weer helemaal terug. ‘De exodus van vluchtelingen kost opnieuw levens’,  zo kopte de krant. Het schuurt dat we ons zo weinig raad weten met al die mensen die moeten vluchten.

Week in, week uit, lezen wij in de kerk de verhalen van het volk Israël. Hun uittocht naar een beloofd land lijkt een sprookjesachtig tafereel in vergelijking met de gruwelijkheid van de beelden die wij zien. Maar als je goed leest, was er toen ook paniek en angst in de ogen van de vreemdelingen die zij tegenkwamen. De onzekerheid en de weerstand brak de Israëlieten zelf voortdurend op. En toen ze eenmaal in het beloofde land kwamen, bleek het land niet leeg te zijn.

En toch, ze gingen op weg om hun kinderen in vrijheid te laten opgroeien. Op weg naar een land waar vrede is, naar een land waar de vrede van God te vinden is. Want echt mens zijn, dat kan toch alleen als er vrede woont in de huizen en de harten.

Wij zijn niet op uittocht. Wij wonen in het land dat precies het beloofde land is. Het ‘paradijselijke’ West-Europa, zelfs als het als een valse belofte komt van de boeven die mensen smokkelen.

Vaak verplaatsen we ons bij het Exodusverhaal van het volk Israël in de positie van het volk dat op zoek is naar dat beloofde land. Maar in onze tijd hoor ik niet bij de mensen in hun exodus. De komst van al deze vluchtelingen draait de rollen om. Ik wóón al in het beloofde land. Dat heeft zelden zo ongemakkelijk gevoeld.