Een achtste dag

Ik heb de gewoonte net iets veel te willen doen op één dag. Ik wil mijn e-mails lezen, mijn huishouden doen, iedereen spreken die ik nog moet spreken, hardlopen, koken, studeren en bidden. En natuurlijk even in de zon zitten tijdens een pauze, effe shoppen en dan weer werken aan mijn preek.

Vrijwel elke dag vraag ik me af waarom ik het gevoel heb dat er te weinig tijd is. Als ik een extra dag zou hebben, zou het dan allemaal misschien wel lukken? Terwijl ik naar de volgende afspraak sjees, hoor ik het mezelf zeggen: ‘Ik heb gewoon een achtste dag nodig’.

Een achtste dag voor de restjes van mijn to do list. Je weet wel, dat restje onderaan je lijstje dat je nooit krijgt afgevinkt. Het zijn de dingen die langzaam van het lijstje verdwijnen. Een kaartje sturen naar die ene tante. Op bezoek gaan bij die mevrouw die dat zo gezellig vindt. Eén extra dag in de week. Zou dát de stress en de haast wegnemen?

Volgens de Bijbel is zes dagen werken genoeg. God rustte op de zevende dag. God had zijn werk voltooid, zo staat er in Genesis. Tijd om te rusten. God verklaarde de sabbath heilig – het is zoiets als een streep in je agenda: nu is het tijd voor iets anders. Het heiligen van de zondag gaat dus over time management. Welke tijd is heilig voor jou? Hoeveel tijd zet je apart om uit te rusten, om God te zoeken of met je kind te spelen?

Maar het ritme dat het scheppingsverhaal wil aanbrengen is in onze 24-uurseconomie zo goed als verdwenen. Het lijkt wel alsof we niet meer zo gemakkelijk een ritme vinden waarin we werken, bidden en rusten. Het avondgebed om 19:30 uur lijkt bijna niet in te passen in de ritmes van ons leven. De grenzeloosheid van onze bereikbaarheid, maar ook de grenzeloosheid van kracht van de economie maken het moeilijk om een natuurlijk ritme te vinden van werken, bidden en rusten. We zijn voortdurend bereikbaar en we kunnen voortdurend naar de Albert Heijn. Maar wat is het ritme waarin we echt tot rust komen en tegelijkertijd tevreden zijn met wat we hebben gedaan?

Ik denk dat het scheppingsverhaal ons wil uitleggen dat we zijn geschapen met een behoefte aan heilige tijd. Er zijn grenzen in onze tijd, er zit een grens aan onze energie.

We denken er als kernraad serieus over na om in het volgende seizoen een periode van bezinning te plannen. Niet om achterover te leunen en te stoppen, maar om de tijd die we hebben te ‘heiligen’. En om tijd te nemen om actief te zoeken naar God; om met elkaar te zoeken naar een ritme dat past bij onze gemeenschap. Het juiste ritme waarin we bidden en werken, spelen en zingen, geven én ontvangen. Mocht je deze zomer ideeën hebben over hoe dat kan; ik hoor het graag!  

Maar eerst de zomer. Tijd voor rust en afstand. Geniet van de rust, de warmte van de zon en de aandacht die de zomer brengt.

Ik heb de gewoonte net iets veel te willen doen op één dag. Ik wil mijn e-mails lezen, mijn huishouden doen, iedereen spreken die ik nog moet spreken, hardlopen, koken, studeren en bidden. En natuurlijk even in de zon zitten tijdens een pauze, effe shoppen en dan weer werken aan mijn preek.

Vrijwel elke dag vraag ik me af waarom ik het gevoel heb dat er te weinig tijd is. Als ik een extra dag zou hebben, zou het dan allemaal misschien wel lukken? Terwijl ik naar de volgende afspraak sjees, hoor ik het mezelf zeggen: ‘Ik heb gewoon een achtste dag nodig’.

Een achtste dag voor de restjes van mijn to do list. Je weet wel, dat restje onderaan je lijstje dat je nooit krijgt afgevinkt. Het zijn de dingen die langzaam van het lijstje verdwijnen. Een kaartje sturen naar die ene tante. Op bezoek gaan bij die mevrouw die dat zo gezellig vindt. Eén extra dag in de week. Zou dát de stress en de haast wegnemen?

Volgens de Bijbel is zes dagen werken genoeg. God rustte op de zevende dag. God had zijn werk voltooid, zo staat er in Genesis. Tijd om te rusten. God verklaarde de sabbath heilig – het is zoiets als een streep in je agenda: nu is het tijd voor iets anders. Het heiligen van de zondag gaat dus over time management. Welke tijd is heilig voor jou? Hoeveel tijd zet je apart om uit te rusten, om God te zoeken of met je kind te spelen?

Maar het ritme dat het scheppingsverhaal wil aanbrengen is in onze 24-uurseconomie zo goed als verdwenen. Het lijkt wel alsof we niet meer zo gemakkelijk een ritme vinden waarin we werken, bidden en rusten. Het avondgebed om 19:30 uur lijkt bijna niet in te passen in de ritmes van ons leven. De grenzeloosheid van onze bereikbaarheid, maar ook de grenzeloosheid van kracht van de economie maken het moeilijk om een natuurlijk ritme te vinden van werken, bidden en rusten. We zijn voortdurend bereikbaar en we kunnen voortdurend naar de Albert Heijn. Maar wat is het ritme waarin we echt tot rust komen en tegelijkertijd tevreden zijn met wat we hebben gedaan?

Ik denk dat het scheppingsverhaal ons wil uitleggen dat we zijn geschapen met een behoefte aan heilige tijd. Er zijn grenzen in onze tijd, er zit een grens aan onze energie.

We denken er als kernraad serieus over na om in het volgende seizoen een periode van bezinning te plannen. Niet om achterover te leunen en te stoppen, maar om de tijd die we hebben te ‘heiligen’. En om tijd te nemen om actief te zoeken naar God; om met elkaar te zoeken naar een ritme dat past bij onze gemeenschap. Het juiste ritme waarin we bidden en werken, spelen en zingen, geven én ontvangen. Mocht je deze zomer ideeën hebben over hoe dat kan; ik hoor het graag!  

Maar eerst de zomer. Tijd voor rust en afstand. Geniet van de rust, de warmte van de zon en de aandacht die de zomer brengt.

Een nieuw seizoen

Een van de belangrijkste beslissingen op weg naar de brugklas is de aanschaf van de juiste agenda. Ik kan me in ieder geval herinneren dat ik uren in de V&D doorbracht, twijfelend over welke agenda ik zou kopen. Er moest genoeg ruimte zijn om er – naast je huiswerk – van alles in te kunnen schrijven: verliefdheden, roddels, tekeningen, teksten over leraren. 

In de loop der jaren werd het steeds minder belangrijk. Maar zo’n maagdelijk lege agenda roept bij mij nog steeds een prettige spanning op. Er gaat van alles gebeuren, maar je weet nog niet precies wat en hoe. Het leven als een lege bladzijde waar alle ruimte is voor nieuwe herinneringen.

Dat septembergevoel, die prettige spanning, kan trouwens makkelijk omslaan in stress. Niks prettigs meer aan. Het beklemmende gevoel dat je te weinig tijd hebt voor alles wat je wil doen. Je agenda wordt je vijand in plaats van je vriend als er nergens lege vakjes zijn. De nieuwsgierige verwachting slaat dan om in stress. Er moet van alles. Geen tijd om een beetje aan te klooien in de marge van de agenda.

In de Elthetokerk heb ik de afgelopen tijd vaak gevoeld hoe makkelijk het gevoel van vrolijke verwachting verstoord kan raken door ‘alles wat moet’. Ik hoop dat mensen in de kerk verrast worden door bijzondere ontmoetingen met God en met elkaar, maar het gevoel dat er allerlei taken (en verwachtingen) liggen drukt vaak op ons. Voor je het weet is de kerk en/of het wonen in een leefgemeenschap een bron van stress in plaats van een bron van inspiratie. Ik kan me van de afgelopen vier jaar geen kernraadsvergadering herinneren waar de vacatures, het beheer van het gebouw of de geldzorgen geen punt van zorg of aandacht waren. Om maar iets te noemen.

Tegelijkertijd weten steeds meer mensen onze kerk te vinden als een huis van God in de Indische Buurt. Mensen voelen zich welkom bij de Buurthulp en bij Re-play, bij de buurtmaaltijd, het avondgebed en op zondag. De kerk is geworden wat we hopen. Een vrolijke instuif vol verrassende ontmoetingen tussen een vluchteling en een oude schipper. Een plek voor een alleenstaande jonge moeder om op verhaal te komen en haar verhaal te doen.

Stoppen met allerlei activiteiten om ons te bezinnen (op de overbelasting die sommigen van ons voelen) lijkt daarom geen optie. Wat dan wel?

Ik wil dit seizoen graag met jullie nadenken over onze roeping. Waartoe zijn we geroepen als christelijke gemeenschap in Oost? Als we daar met elkaar een antwoord op vinden, kunnen we ook antwoord vinden op de vraag waartoe we niet geroepen zijn. Leven met God is een leven richting de toekomst. We mogen loslaten wat te zwaar is en met een lichte bagage op weg gaan. Op je slippers, zoals de discipelen van Jezus. Op weg met vertrouwen, zoals Abraham. Geraakt door God, zoals Jesaja.

Dit is de focus die ik zoek in de kringen (Wijze Woensdagen), preken en gesprekken in het komende seizoen. Ik hoop dat de focus op onze roeping ons zal inspireren én de moed zal geven om los te laten wat te zwaar is om op weg te kunnen gaan.

Winterdip

Pepernoten, warme chocolademelk, kaarsen en haardvuur. En natuurlijk al die benodigdheden om de straat op te gaan. Handschoenen aan, muts op en sjaal om. November. Sommige mensen vinden deze tijd van het jaar heerlijk. Anderen staan bij al die kale bomen spontaan wat droevig en moe te kijken. Eerlijk gezegd hoor ik bij die laatste groep. November is niet mijn tijd van het jaar. Ik vind het te koud, te nat en te donker. Het is alsof mijn lichaam langzamer is dan in de zomer. Mijn lichtje gaat nét wat sneller uit. Ik krijg tips van lieve mensen om extra vitaminen te slikken. Er heerst tenslotte van alles. En of ik al eens gedacht heb aan extra licht? Extra licht. Dat heb ik misschien wel nodig in november. Een beetje meer dan anders. In de weken van advent op weg naar kerst steken we elke week een kaars aan. Dat is dat beetje extra licht. Dat helpt. Niet omdat het dan gezelliger wordt in de kerk of omdat het het kerstgevoel vast wat aanwakkert. Niet omdat we dan ineens alle energie van de wereld hebben. Nee, dat hele kleine vlammetje vertelt over hoe God niet verdwijnt. God woont in deze wereld. Zelfs als je weinig van God ziet en er jaren voorbij kunnen gaan zonder dat daarin iets verandert. Of als mensen God ontkennen. Het kaarslicht van advent is het licht dat je herinnert aan God. Elke week een beetje meer. God die in de wereld is, God is met ons. Heel gewoon en heel bijzonder. Dat is nou een effectief middel tegen mijn herfstdip. Ik krijg energie van het vrolijk zingen van advents- en kerstliedjes. Of als ik mensen de boodschappenlijstjes voor de Kerst-Inn zie maken. Ik heb nu al zin om de schaapjesboer te bellen of ze dit jaar weer langskomen met die aardige beestjes voor in de groene weide aan de Javastraat. Advent en kerst zijn het extra licht dat je nodig hebt. Vitamientjes voor je ziel. Geen opgelegde gezelligheid, maar de belofte van een God die bij ons woont. Dus doe mee en kom ook! Schil een aardappel voor de Kerst-Inn of zing mee in het koor. Gegarandeerd effectief tegen al uw winterdips.

Helden

Op een koude stille zaterdag kook ik graag risotto. Ik snipper een uitje, snijd een beetje knoflook en een zooitje paddenstoelen. Ik schuif de risotto in de pan - even laten glanzen, een restje witte wijn en dan begint het grote roeren. Soulfood. Soulfood is het type maaltijd dat vraagt om tijd en aandacht. Maar je krijgt er veel voor terug – troost, warmte, gezelschap en inspiratie.

Mijn held is op dit moment de schrijfster Marilynne Robinson. Haar boeken zijn mijn soulfood geworden in het afgelopen jaar. Geen hapklare brokken literair vermaak, maar trage verhalen die mijn ziel raken. Ze vragen om tijd en aandacht, soms meer dan ik heb. Maar de verhalen raken aan iets wat zich in mij beweegt. De personages uit de boeken van Robinson vertellen wat ik al vermoedde over God, maar in hun verhaal krijgt het een vorm waarin ik het beter begrijp.

Onder de duizenden fans van haar werk schaart zich president Obama. Hij regelde een persoonlijk en mooi interview met haar, waarin hij zegt: ‘The most important stuff I’ve learned I think I’ve learned from novels. It has to do with empathy. It has to do with being comfortable with the notion that the world is complicated and full of grays, but there’s still truth there to be found, and that you have to strive for that and work for that’ (vrij vertaald: ‘De meest belangrijke dingen die ik heb geleerd, heb ik geleerd uit verhalen. Het heeft te maken met empathie. Het heeft te maken met de geruststellende wetenschap dat de wereld weliswaar gecompliceerd is en vol grijstinten zit, maar dat er nog altijd een waarheid te vinden is, en dat je je ervoor moet inspannen en ervoor moet werken.’)

Ik had het niet beter kunnen zeggen. De verhalen van Robinson beginnen in een fictief dorp in Iowa. John Ames, de oude dominee, schijft een brief aan zijn jonge zoon uit zijn tweede huwelijk. Hij wil zijn zoon zijn levensverhaal vertellen, maar daar is hij nu nog te jong voor. En John is te oud om te kunnen wachten tot de zoon volwassen is. John Ames is een overtuigd christen, maar dat betekent nog niet dat het makkelijk voor hem is. Hij zoekt naar hoe zijn geloof licht werpt op zijn eigen rommelige familiegeschiedenis. Hij zoekt hoe en waar God raakt aan de verhalen van alle mensen met wie hij verbonden is.

Robinson, die zich zeer heeft verdiept in het protestantisme, heeft een zeldzaam talent. Het is het talent waar ik als predikant op hoop en in ieder geval hard voor werk. Robinson heeft het talent van het woord. In een interview met de BBC vertelt Robinson over de behoefte van de mens om zichzelf uit te drukken in taal. Het is de behoefte om iets te onthullen van wat er in ons omgaat. Dit onthullen heeft natuurlijk ook een theologische kant. Het is immers in woorden dat God van zichzelf laat horen. In de Amsterdamse context waar ik werk begrijpen mensen niet meteen wat ik bedoel als het heb over dat Woord met een hoofdletter. En juist in die puzzel rond de (on)verstaanbaarheid van het christelijk geloof werd Robinson mijn held.

In de verhalen die zij schrijft, krijgen woorden als genade, verzoening, twijfel en aanvaarding een centrale plek. Niet als idee. Maar in personages die leven van genade, hopen op verzoening en overvallen worden door twijfel. Ze zijn zo menselijk en herkenbaar, ze lijken op alle mensen met wie ik verbonden ben. Die praten niet zo makkelijk over zoiets als genade, maar uit hun levensverhaal blijkt hoe ze ernaar zoeken. De romans van Marilynne Robinson zijn de beste preken die ik in jaren heb gehoord. Dus ik zou zeggen: neem de tijd voor wat soulfood. Schenk een goed glas wijn in en stap in de wereld van dominee John Ames en iedereen met wie hij verbonden is. Ik ben ondertussen één van hen.

Wie is het?

 Marleen Blootens, voorganger

Bill‘Afgelopen maand is William A. Heston overleden. Heston, beter bekend onder zijn roepnaam Bill, werd in 1979 wereldberoemd door zijn deelname aan het populaire spel ‘Wie is het?’. Met zijn kale schedel, rode sik en immer blozende wangen was hij de lieveling van het publiek. Bill uit ‘Wie is het?’ is 85 jaar geworden.’
Bron: De Speld.

 

Ik vond dit een tamelijk briljante grap. Net zoals ik het spelletje ook briljant vond. Is het een man? Nee. Klap-klap-klap. Je klapt alle mannen van je speelbord weg. Heeft ze een bril, een hoed? Net zolang tot je bij die ene persoon uitkomt die de ander in gedachten heeft.

Ik moest aan dit spel denken omdat ik vaak door de buurt loop met de vraag: Wie is het? Wie is die persoon achter een bril die me aankijkt door het raam van de kerk? Wie is die man met een baard, waarvan ik alleen maar weet dat hij moslim is. Maar verder weet ik eigenlijk niets van hem. Wie zijn die mensen die ik niet zie, maar waarvan ik weet dat ze er zijn, omdat de cijfers van het stadsdeel vertellen dat er zoveel eenzame mensen leven in de stad? Wie zijn die vrouwen die ik niet ken? 

Ik realiseer me dat mensen ook af en toe bij de Elthetokerk wel eens zullen denken: Wie zijn dat? Misschien draaien ze soms hun hoofd wel om als ze zien dat wij van de kerk zijn. Net als bij het spel draai je de personen weg waar je niet naar op zoek bent. Dat gebeurt. Maar veel vaker merk ik dat veel mensen juist wél benieuwd zijn naar ons. Naar wie wij zijn en naar wat we geloven. En wat vertellen we dan?

Wij zijn als Eltheto’ers allemaal nogal verschillend. Verschillende mensen met verschillende verhalen over de kerk. Mensen die op allerlei manieren hun geloof handen en voeten geven. Toch denk ik dat er wel één verhaal is waar we allemaal iets van kunnen vertellen. Het bijzondere van het christelijke geloof is dat we in één gezicht, bij één man kunnen vinden waar we naar op zoek zijn. Christen zijn is je blik richten op Jezus, omdat we bij deze man iets hebben gevonden. De één zal vertellen over de manier waarop Jezus je inspireert om radicale keuzes te maken. Een ander zal vertellen over hoe zij vergeving heeft gevonden. Jezus zelf benadrukt altijd dat als je iets van Hem hebt gezien, dat je dan iets van God hebt gezien.

Ik hoop dat de mensen die naar ons vragen en die iets van ons zien, nieuwsgierig worden naar God. En dat we dan allemaal op onze eigen manier de moed hebben om te vertellen wat ons heeft geraakt. Want het verhaal dat wij hebben gehoord, het verhaal van Gods liefde, is een verhaal waarin alle mensen kunnen wonen.

 

 > Volg Marleen Blootens op Twitter