Global Institute of Theology (Costa Rica 1)

Marleen over haar deelname aan 'The Global Institute of Theology 2014’ in Costa Rica, San Jose. Dit stuk is eerder verschenen in het Nederlands Dagblad.

Ik wist precies twee dingen van Costa Rica voor werd uitgenodigd in San Jose om deel te nemen aan ‘The Global Institute of Theology’. De natuur is er adembenemend mooi en het is een land zonder leger. Vlak voor ik het vliegtuig in stapte kwam daar nog een derde feit bij. De kwartfinale. Op dag één van de GIT, om precies te zijn. Mijn eerste interculturele ontmoetingen zijn gegaan over voetbal en niet over theologie. Zo weet mijn studiegenoot uit Zambia alles wat ik zelf niet weet over het Nederlandse team in de jaren ’90. En terwijl ik hem hoor praten, betrap ik mezelf op een enorm vooroordeel. Een Zambiaan die fan was van Bergkamp? En de verbazing groeit als wij, in oranje uitdossing, de straten van San José in gaan na de wedstrijd. We worden door iedereen toegejuicht en omhelsd. In een juichjurk op zegentocht door de straten van San Jose. Een omhelzing en een kus. Zo begroet je elkaar, hier in Costa Rica, hier in Latijns Amerika. Ook al heb je elkaar nog nooit gezien of heb je net verloren van die Nederlanders. De dag na de wedstrijd, morgen op bezoek in een lokale kerk omhelsde ik allerlei vrouwen en mannen. Alsof ik niet anders gewend ben. Begroet elkaar met een heilige kus, schrijft Paulus. Voor de gemiddelde West Europeaan een prachtige zin, die we natuurlijk alleen uitvoeren bij intimi.

Inderdaad, een cultuurverschil. Maar wel een verschil die me aan het denken zet. Want wat betekent het om elkaar te omhelzen in de kerk? Ook al ken je elkaar niet en of vind je de ander afstotelijk. Ik heb me zelden zo welkom gevoeld in een kerk. En met elke omhelzing verdween het ongemakkelijke gevoel een beetje meer naar de achtergrond dat ik geen woord kon wisselen met de mensen door mijn gebrek aan Spaans.

Een tijdje geleden benoemde Monic Slingerland de benadering van paus Franciscus als een theologie van de omhelzing. In het aanraken van alle mensen laat hij zijn revolutie van tederheid zien. Bij de paus die zich verbindt aan de gemarginaliseerden van de samenleving licht iets op van de bevrijdingstheologie die in Latijns Amerika belangrijk is. Een theologie die er op is gericht om de armen stem te geven. Wij bijten momenteel onze gereformeerde tanden stuk op deze bevrijdingstheologie. Maar tegelijkertijd is armoede zo actueel. Ik schrik van de verhalen uit Indonesië en Zuid Afrika. En ik denk aan Amsterdam-Oost waar ik in mijn werk als predikant zoveel soorten armoede zie. En ik hoop dat er een sleutel ligt in die omhelzing van alle mensen. Misschien is dat het begin om de wereld te veranderen als volgelingen van Jezus.

 

Gedachten in januari

Het jaar 2015 heeft een moeilijk begin. Bij de koffie na een kerkdienst zei iemand tegen mij heel eerlijk dat er dit jaar snel een streep stond door het gevoel van goede moed en goede voornemens. Aanslagen in Frankrijk op een nieuwsredactie en in een Joodse supermarkt. Golven van geweld in Nigeria. Maar er was ook slecht nieuws dichtbij, in onze eigen kring, waar mensen zijn overleden of zijn getroffen door ziekte: een ramp op persoonlijk niveau.

Ik heb in de afgelopen weken veel nagedacht over angst en moed – juist door al deze gebeurtenissen. Veel mensen zijn bang en die angst is terecht. Het is waar dat er zomaar iets kan gebeuren; in de vorm van een gewelddadige aanslag, of in de vorm van een ziekte of een plotseling verlies. Je kan je angst bezweren door te wijzen op alle goede en mooie dingen die er gebeuren. Je kan onze collectieve angst bezweren door te wijzen op onze rechtsstaat of door nog een extra verzekering af te sluiten. En ‘last but not least’, je kan je angst bezweren door te beslissen om je er door te laten leiden. Angst is een slechte raadgever tenslotte.

Maar als ik heel eerlijk ben, vraag ik me af of al deze bezweringsformules wel werken. Is de troost voor onze bange harten te vinden in een massale demonstratie op de Dam, waarin we samen besluiten om niet bang te willen zijn om onze mening te uiten? Ik merk in mezelf een aarzeling als ik de één nog stelliger dan de ander hoor zeggen dat we vooral onze vrijheid moeten bewaken. En mét dat ik dit opschrijf, begrijp ik mezelf niet goed. Ik aarzel – juist als gelovig mens wil ik graag hardop kunnen geloven. Maar het lijkt wel alsof dat recht om hardop te geloven samenkomt met het recht op belediging. Ik schrik van moslims die vertellen over discriminatie en ik schrik van de beveiliging die nodig is op de Joodse instellingen in onze stad. De moed zakt me in de schoenen. Moed is het vermogen om met angst om te gaan. Maar waar is die moed te vinden in tijden die zo verwarrend zijn? Door wat er gebeurt in de wereld om ons heen, of heel persoonlijk door ziekte of verlies.

Marjolijn de Waal vond de moed om dominee te worden in Vijfhuizen. Ze preekte bij haar bevestiging over de roeping van de discipelen door Jezus. Het is fascinerend om te zien hoe deze leerlingen geen moment aarzelen om met Jezus mee te gaan. Ze laten alles los en gaan met Hem mee. Ze zijn niet bang om alles wat hun zekerheid geeft op het spel te zetten. Hun baan, hun familie. Blijkbaar voelen ze de urgentie van Jezus’ oproep tot bekering – zo legde Marjolijn aan ons uit. De urgentie die wordt gevoeld in een gemeenschap die samenkomt in het visioen van een andere wereld – het koninkrijk van God. Die urgentie is nu niet anders dan in de tijd van Jezus. Het gevoel dat er een andere wereld mogelijk is, en vooral ook dat God een andere wereld op het oog heeft. Als gelovige vind ik moed in een gemeenschap die lief en leed deelt en in een gemeenschap die deze God zoekt. Want als ik aarzel of bang ben, dan is er altijd iemand in de buurt die bidt en zingt dat God ons niet vergeet.

Aan tafel (Costa Rica - 2)

Marleen over haar deelname aan 'The Global Institute of Theology 2014’ in Costa Rica, San Jose. Dit stuk is eerder verschenen in het Nederlands Dagblad.

Op dag 2 van mijn avontuur in deze ‘global community’ in Costa Rica zit ik aan tafel met een paar Zuid Afrikaanse collega’s. Blanke én zwarte Zuid Afrikanen om precies te zijn. Nog altijd bepalend in Zuid Afrika. Natuurlijk ben ik fan van Mandela. Ik ben tegen apartheid en racisme. Wie niet? Racisme staat niet in mijn woordenboek. Ik ben blij met een kerk die zich hier tegen uitspreekt. Graag luid en duidelijk. Hoewel mij een lichte twijfel bekruipt of die stem ooit zo helder klonk in de GKV waarin ik ben opgegroeid, ben ik in ieder geval wel zo geworden. En iedereen met mij, vermoed ik zomaar. Tot één van de Zuid-Afrikanen aan mij vraagt: ‘Marleen, hoe zit dat met Zwarte Piet in Nederland?’. Ik begin wat te vertellen over ons vrolijke volksfeest. Ik merk dat ik in elke zin probeer te zeggen dat Zwarte Piet echt véél minder racistisch is dan het lijkt. Ik begin steeds meer te stotteren. Ik kijk op en zie de verbazing in de ogen van mijn Zuid-Afrikaanse tafelgenoten. Ik realiseer me dat het feit dat ik op geen enkele manier kan uitleggen wie Zwarte Piet is, eigenlijk al genoeg vertelt.

Ik ben me zelden zo bewust geweest van mijn Nederlandse nationaliteit. Ik word me meer en meer bewust van onze geschiedenis. Dat gebeurt er dus als je leeft in een internationale gemeenschap. Alleen al de verwantschap tussen het Nederlands en het Afrikaans bepaalt mij bij onze gezamenlijke wortels. Ik vraag me af wat dat betekent. Welke verantwoordelijkheid rolt er uit onze geschiedenis voor mij als theoloog? Maar natuurlijk vooral: is er zoiets als een theologisch antwoord op de wereldproblematiek die hier dagelijks aan me voorbij trekt?

Vandaag, dag 10, zit ik daarom met al mijn vragen opnieuw aan tafel met mijn Zuid-Afrikaanse vrienden. Ik voel me verwant. Fundiswa is net zo oud als ik. Jong, vrouw en dominee in de stad. Hoe herkenbaar. Maar ik herken niets van wat ze me vertelt over de townships waar ze dominee was. Margriet geeft les op de universiteit van Stellenbosch en promoveert op Hanna Arendt. Ze zitten niet bij elkaar in de kerk. Zo staan de zaken ervoor. Net zoals de gemiddelde Afrikaanse immigrant in Amsterdam ook niet bij ons in de kerk zit, denk ik bij mezelf. ‘Transforming community, church and mission’ – is de titel van ons studieprogramma. We zuchten nog eens diep. Kijken elkaar aan en besluiten dat we dat dan maar gewoon moeten doen. Heel klein en in onze eigen context. Want niks proberen te veranderen in deze wereld, dat is in ieder geval geen optie.

 

Dominee op de Dam

Dierendag, moederdag, secretaressedag. En sinds vorige week is er ook een predikantendag.

Op maandagmorgen 22 september, met de vrolijkheid van de startzondag nog in mijn hoofd, fiets ik naar de landelijke predikantendag in de Nieuwe Kerk. Ik parkeer mijn fiets en met mijn boordje in mijn handtas loop ik naar binnen. Eerlijk gezegd weet ik niet zo goed wat ik moet verwachten. Uit onderzoek van Trouw blijkt dat de gemiddelde dominee een enigszins introverte man van rond de 55 met uitwonende kinderen is. Ik vraag me af hoe de sfeer zal zijn. Maar ik heb meer vragen: Is het goed en is het nodig om al die dominees een dag bij elkaar te brengen? Helpt een dag met elkaar ons om onze roeping beter te verstaan of zijn we dan toch (weer) vooral bezig met onszelf?

Mijn scepsis verdwijnt snel als ik merk hoe positief de sfeer is. De bedoeling is om de predikanten en kerkelijk werkers te bemoedigen. Geen dag vol kritische dominees die moeilijke theologische kwesties bespreken, maar een dag waarop tegen al deze ambtsdragers wordt gezegd: God heeft je geroepen op de plek waar je werkt. Ook als het moeilijk is en je de kerk ziet afbrokkelen mag je erop vertrouwen dat je wél het goede doet. Want elke kerk is een gemeenschap die bezig is om het verhaal van God met mensen te vertellen en te laten zien. Het is een ander verhaal dan de meeste verhalen die we om ons heen horen. De kerk vertelt over een andere werkelijkheid. De werkelijkheid van God, waar ‘ja’ wordt gezegd tegen elk mens. ‘Ja, jij mag er zijn.’ De kerk als een gemeenschap waar we ‘ja’ zeggen tegen alles wat leven brengt.

Zeshonderd dominees lopen op de Dam en zingen een ‘Halleluja’. De tram stopt voor al die toga’s. Sommige collega’s mopperend over de onzin van de ‘togashoot’, anderen stralend op de voorste rij. Ik sta ergens in het midden te grijnzen. Leuk, zo’n dag voor predikanten. Maar de lach op mijn gezicht wordt vooral op mijn gezicht getoverd bij de gedachte aan al die kleine en grote gemeenschappen waar wij deel van uitmaken. Al die kerken en kerkjes. Die hangen niet af van een dominee. Gelukkig niet.

Ik zing ́Halleluja ́ op de Dam en denk aan al die bloembollen die we de dag ervoor verstopt hebben in de Indische Buurt. Aan alle kaarten van lieve woorden die we in de buurt hebben verspreid. We halen er misschien niet de voorpagina van het Parool mee, maar we doen waartoe we kerk zijn. Een gemeenschap die tot zegen is voor al haar buren. Hallelujah.

40 dagen op weg

Afgelopen september werden wij door de Turkse gemeenschap uitgenodigd voor een Iftar. Het was voor moslims de maand waarin zij overdag vasten. Na zonsondergang komen ze bij elkaar om te eten. Ik mocht daar samen met een aantal gemeenteleden bij zijn. Er stond een gigantische tent op het Javaplein. We schoven aan en worstelden ons door de taalbarrière heen, net als onze tafelgenoten.

Gisteren is de veertigdagentijd begonnen. Het is de vastenmaand van de christenen. Ineens schoot me die avond in de Iftartent weer te binnen. Ik was écht onder de indruk van de discipline van onze moslimburen om zo volhoudend te vasten én te bidden. Zij vasten niet alleen maar omdat het moet, maar ook omdat ze zich op deze manier meer kunnen concentreren op hun geloof, zo vertelden zij ons die avond.

Bij ons in de kerk hoort vasten bij deze tijd van het jaar, de 40 dagen voor Pasen. Het is (gelukkig) niet verplicht. Maar het is wel een optie die de moeite waard is. Je kunt het vasten zien als een soort pauzeknop op je gewoontes. Meestal ben je gewoon bezig met leven, boodschappen doen en regelen wat er geregeld moet worden. Maar wat gebeurt er als je 40 dagen ergens mee stopt? Bijvoorbeeld 40 dagen geen Facebook. Of als je juist 40 dagen iets doet wat je meestal niet doet? Zoals 40 dagen een ansichtkaartje naar iemand sturen.
40 dagen de tijd nemen om iets in je leven op ‘stil’ te zetten. 40 dagen om de dag anders vorm te geven. Het zal je ongetwijfeld aan het denken zetten over hoe je in het leven staat.

In de christelijke traditie is het de gewoonte om te vasten in de 40 dagen voor Pasen. Dat is niet zomaar. De 40 dagen zijn niet alleen bedoeld als een periode om stil te staan bij je eigen leven. Ze zijn gekozen om stil te staan bij het leven en het lijden van Jezus. Geloven in God en naar de kerk gaan horen misschien wel bij je dagelijkse gewoontes. Toch vragen ook die gewoontes af en toe om een pauze. Een pauze om opnieuw stil te worden en te bidden, je te verwonderen, God te zoeken. Vasten kan je helpen om een periode te kiezen voor concentratie op je geloof. Dan laat je niet alleen iets (of doe je juist iets) om je eigen gewoontes te doorbreken, maar om ruimte te maken voor God.

Vanaf de veertigdagentijd is het avondgebed er elke werkdag om 19:30 uur. Weet je welkom om stil te worden en te bidden. Wees welkom om met ons God te zoeken.

 > Lees meer over het avondgebed

 > Volg Marleen Blootens op Twitter

Meer artikelen...